zaterdag 8 augustus 2015

Hij doet niks (2). - ruwe versie


“En jij die altijd zegt dat jouw hond zo dom is”, zeg ik tegen vriendin Saskia. We staan op het bospad, een paar meter voor de omheining waarachter de auto geparkeerd staat. Een brede glimlach op onze gezichten, het zonnetje op onze ruggen en een vogelconcert in de oren, kijken we naar onze rollebollende reutjes. “Volgens mij is het niet toevallig dat ‘ie telkens aan het eind van de wandeling een spel begint” “Mja, daar zit iets in.” “Whaaa, zie hoe zanderig Doby is.” “En mijn golden dan, en ik heb hem gisteren nog zo mooi gewassen.” “Gewassen? De dag voor een wandeling met ons?” “Ja, geen idee waar ik met mijn gedachten zat.” “Zeg, heb je gemerkt dat de geur van de lente al in de lucht zit?” “Ja, zálig, ik kijk zó uit naar de warmte.”

 
Zwaar motorgeraas. Mijn hoofd schiet met een ruk omhoog. Een luxueuze Amerikaanse pick-up truck rijdt voorbij het bospad, en parkeert tegenover onze auto. Ik haal alvast de leiband van mijn nek. Een slungelige twintiger stapt uit. Geen hond. De spanning trekt uit mijn lijf, maar mijn blik blijft op de slungel. Paraat om Doby naast me te roepen als de jongeman passeren wil. Een blik op ons werpende, loopt de slungel naar het laadbakgedeelte en heft het deksel op. Twee witte kanonskogels schieten de lucht in. Honden. Jack-Russell en Beagle. Ze rennen meteen op ons af. Ik gris Doby uit het speelgewoel. Klik de leiband vast. Been de andere kant uit. Drie meter ver raken we. Dan staat de Jack-russell al voor Doby. Neus aan neus. Gespannen. Doodstil. Staart als een stok recht achteruit. Net als Doby. Ik houd mijn adem in.
Adem pas uit wanneer het mormel weg dribbelt, naar zijn vriendje, om samen Boy te inspecteren die nog bij Saskia aan de bosrand staat. Ik neem Doby mee, de tegenovergestelde richting uit. Ontspannen loopt hij naast me, mijn schouders zakken alweer. Een stuk verder houd ik halt en draai me om. Bij de bosrand draaien Boy en de twee onbekenden rondjes om elkaar, snuffelen aan achterkanten. De onstuimige Boy beweegt zich opvallend rustig. Saskia’s mond beweegt. De slungel haalt zijn schouders op. Saskia mond beweegt opnieuw, haar gezicht lacht niet langer. De slungel wandelt haar voorbij, handen in de zakken. 
Ik wacht tot hij binnen gehoorsafstand is. “Wil je je honden bij je houden? De mijne is gebeten geweest.” “Ze doen niets”, klinkt het, op een verveeld toontje. Hij slentert verder. “Hij is wantrouwig, hoor, en kan uitvallen”, waarschuw ik, tegen beter weten in. Verschil uitmaken zal het niet.  “Ze doen niets”, herhaalt de slungel, op hetzelfde “Zaag niet”-toontje. “Jules”, zegt hij dan, nauwelijks hoorbaar. In zijn stem geen vraag, noch bevel of waarschuwing. De Jack-Russell draaft hem voorbij. De beagle snuffelt van boom tot boom. “Jules”, herhaalt de slungel, op hetzelfde zwakke toontje. Het mormel houdt zijn blik op ons. De beagle snuffelt voort. De slungel slentert verder.
Ik rol mijn ogen naar boven. Keer me maar om, been naar de eerstvolgende tweesprong. Doby volgt vrolijk, hij kijkt niet om. Ik wel. De Jack blijkt vlak achter ons. Misschien dertig centimeter achter Doby. Lichte paniek kruip omhoog. Wat als het zo’n geniepig enkelbijtertje betreft? Mijn voet gaat waarschuwend omhoog. Dat helpt. Een halve seconde. Ik wend mijn blik niet meer af. Ik voel me zo machteloos. Wat moet ik, wat kán ik nog doen? Doby afschermen? Lukt nauwelijks en zal geen terugval voorkomen. Hem loslaten? Zal ook geen uitval voorkomen. Stug verder blijven stappen?
Doby bemerkt mijn onafgebroken achterom kijken. Gooit zich om zijn as. Deelt verrassend rustig een waarschuwende luchthap uit. Vast geleerd van Boy. Het helpt. Een halve seconde. Dan loopt het mormel weer zo dichtbij. De slungel slentert er gezellig achter aan. Ik wil níét dat mijn hond contact heeft met soortgenoten die we nog nóóít gezien hebben en die we ook nóóít meer zullen zien. Waarom willen sommigen dat altijd opdringen? Al mijn spieren spannen zich. Ik doe iets wat ik nog nooit gedaan heb. Ik stamp naar een hond. Naar het mormel. Hard en welgemikt. Enfin, dankzij mijn beperkte voetbalervaring wordt de hond niet geraakt - gelukkig. Wel vliegt mijn steunvoet mee de lucht in  – iets minder gelukkig. Mijn kont belandt in het zand – niet de gewenste indruk. De slungel slentert verder. Het mormel staat neus aan neus met Doby. Opnieuw geeft mijn labrador een waarschuwende luchthap. Opnieuw helpt dat exact een halve seconde. De slungel nadert ons triootje, bekijkt het tafereeltje als een toevallige, ongeïnteresseerde passant. Ik been met maaiende armen recht op hem af. “Is dat nu eigenlijk zo moeilijk om je honden bij je te houden?!” Mijn armen schieten driftig de lucht in. Mijn stem is onherkenbaar. Zo schril. Bijna overslaande. “Ik zit wel weer met een hond, é, die de komende drie, vier weken uitvalt zodra hij in de verte een onbekende hond ziet!” Mijn onderbewustzijn merkt dat Doby’s leiband losschiet. Dat hij weer een luchthap uitdeelt. Mijn bewustzijn vraagt zich verbaasd af waarom ik mijn hoofd zo dicht bij dat van de nu beduusd uitziende slungel houd. Maant me aan tot kalmte. Vertelt dat dit geen zin heeft. Ik been de slungel voorbij, richting auto. Je vergeet je hond, fluistert mijn achterhoofd. Ik wend me om. Doby geeft het mormel bliksemsnel een neep in de nek. Jankend gaat het plots niet meer zo stoere hondje ervandoor. Rond mijn mondhoeken verschijnt een zowel wraakzuchtige als trotse glimlach. Zijn vraag om met rust gelaten te worden, heeft Doby netjes opgebouwd van vriendelijk naar steeds duidelijker taal. “Het zou verboden moeten zijn om met honden als die van jou te wandelen”, verscheurt de slungel brullend mijn overpeinzingen. Nú slentert hij niet meer. Nu. Hij staat stil, buldert verder: “Jouw hond moet afgemaakt worden!” ‘Uit je vel knappen van woede’, voor het eerst in mijn leven voel ik wat daarmee bedoeld wordt. Mijn wangen lijken bijna te ploffen. Stoom kan enkel via mijn mond naar buiten. “Hij heeft wel nog nooit gebeten, é. Hij is gebeten geweest”, schreeuwt diezelfde onherkenbare stem. “En die van mij lúístert!” De slungel verbleekt. Draait zich om en slentert verder. Handen in de zakken.

Op bibberende benen loop ik naar de auto. Een wirwar aan emoties raast door me heen. Schrik omdat ik mijn zelfbeheersing verloor. Schaamte om die woede-uitbarsting. Machteloosheid omdat ik niet meer weet wat nog gedaan. Woede omwille van dit type eigenaars. Frustratie omdat dit soort ontmoetingen ons nog steeds maandelijks overkomt – ondanks het vermijden van het strand, een bepaald park in de buurt én drukke wandelmomenten. Schuldgevoel omdat woede niets uithaalt, integendeel. En angst. Want wat als wegstappen wéér niet helpt en het dan om een grotere bedreiging gaat dan een bazig mormeltje? 

 
Een dag later schiet de faalkunsttraining in actie. Wat heb ik anders gedaan in vergelijking met de keren dat het wegstappen wél hielp? Vóór hen uit gestapt, in plaats van zijwaarts uit te wijken. Gewacht tot de slungel binnen gehoorsafstand was, en het mormel dus dichtbij. Hoop gloort aan de horizon. Twijfel ook. Want wat als op de correcte manier wegstappen desondanks níét helpt? Hoe leer ik dan zo’n ‘belager’ op afstand houden? Opnieuw de boekenwinkel induiken?
Maar… wacht eens. Het is me wél al gelukt een hond op afstand te houden. Twéé keer. Beide keren een notoire bijter uit onze buurt. Hoe deed ik dat toen? Doby bij zijn halsband vastgepakt, half voor hem gaan staan, mijn lichaam en aandacht volledig naar de agressieveling gericht, en die met ziedende stem en wijzende vinger weggestuurd.
Wacht eens… toen was ik óók woedend. Drie maal is mijn ergernis in dat soort situaties nu tot woede gestegen, en drie maal bleef Doby opvallend rustig. Niks paniekerig uitvallen. Heeft hij baat bij mijn woede? En… hielp diezelfde woede om destijds bij die bijter overtuigend over te komen?
Onthouden: Laaiend zijn in dat soort situatie? Het mág. Zolang ik het maar gericht aanwend.
Nu nog een post-it’je aan de muur plakken –  tip van het faalkunstboek. Lukt dat onthouden tenminste.
En Doby? Diens terugval duurde maar 2 dagen. We gaan erop vooruit.

maandag 28 juli 2014

Mededeling.


WEGENS GEZONDHEIDSPROBLEMEN WORDT DEZE BLOG TIJDELIJK NIET BIJGEHOUDEN.

maandag 26 mei 2014

Lentevoordeel.


De lente kent een voordeel. Nou ja, meer dan eentje, natuurlijk. Maar déze viel me pas voor het eerst op. Terwijl ik toch al een heel aantal jaartjes van het natuurwandelen ben. Beetje beschamend toch.
Zag ik het patroon door een toevallige opmerking van Wandelvriendin - dat al dat paringsgedoe zo’n wonderbaarlijk vogelkoor oplevert? Was het toen een kluwen schetterende merelmacho’s langs me heen scheerde, en anderhalve meter verder in het zand hun strijd verder zette?  Of nadat een hazenkoppeltje stoeiend door de weide rende, volkomen blind voor wandelaar én hond pal ernaast?
In elk geval: de afgelopen weken zag ik beduidend meer wilde dieren dan normaal. Hoorde opnieuw vele geluiden. Verzeilde in een bizarre situatie. Dankzij – zo besef ik nu - al die veroveringsrivaliteit, opborrelende verliefdheden en het donzige, eeuwig uitgehongerde gevolg.

Het bedrieglijk warme “Koe-Koek! Koe-Koek!” schalt weer door het bos. Boven akkers voeren kievitpaartjes hun wervelende, zwart-wit blikkerende luchtdansen uit. Een vol, klaaglijk, langgerekt ‘Pioew!’, weerklinkt door de bomen, daarna een kort uitgestoten “Purr-purr-purr-purr-purr!” Op een bosbeekje, amper een paar meter van ons, dobbert een innig stelletje wintertalingen. Zwart-witte scholeksters – met aandoenlijk rode laarsjes en snaveltjes – vliegen boven de velden. Op een omgeploegd akker woelt een kwikstaartje in de zachte aarde.
Eindelijk zie ik nog eens een biddende valk, slechts dertig meter voor ons, overgaan tot die duizelingwekkende, loodrechte, pijlsnelle duik naar beneden. Op boomhoogte zweeft een kiekendief over een open plek, gunt me zo mijn allereerste, lang verwachtte blik. Onbekende vogels - eentje gakkend voorop, de andere piepend erachteraan – vliegen later laag boven ons. Heen en weer, als het ware mijn stille smeekbeden verhorend. Ruwweg de grootte van een gans, wit met brede, bruine band over de borst. Bergeenden, zo leert mijn encyclopedie.
Ik geniet.

Een paar dagen na de bergeenden, geef ik, zoals gewoonlijk, mijn labrador toestemming voor een verkoelende duik. In een borstdiepe, smalle, áltijd doods verlaten beek. Zijn voorpoten raken nog maar het water, of twintig meter verder barst een tumult los. Geklapper, gespetter, gesnater. Verrast kijk ik, vanop het bruggetje, naar de onverwachte badgasten. Verrast kijkt Doby, beneden in het water, naar de onvoorziene zwemgenoten. Vier donkere eenden en één lichtbruine stuiven uiteen. Als een saamhorig, keurig groepje, zwemmen de vier mannetjes weg.
Mevrouw Eend niet. Die stormt de andere kant op. Kwaakt oorverdovend. Peddelt bezeten. Roeit – de vleugels half opgevouwen - furieus met haar ellenbogen. Recht naar Doby. Hé?! Is ze –zoals konijnen - blind voor een stilstaande jager? Vlucht ze van haar aanbidders? Valt ze aan? Doby verroert niet. Mevrouw Eend stormt verder, is bijna bij hem, mindert geen vaart. Doby springt naar haar. Ze vliegt op. Landt anderhalve meter verder op de oever. Stopt. Wendt zich om. Kijkt omlaag naar in de beek gebleven hond. Die beantwoordt haar blik, overweegt – zo leert de ervaring - zijn opties. Geef ik toe aan de verleiding, mijn straf erbij nemend? Of gehoorzaam ik baasjes tergend saaie regels? Hij gooit zich om zijn as, en spettert naar me toe.
Dan gebeurt het.
Mevrouw Eend duikt het water in. Achtervolgt de grote labrador. Zo dicht op zijn hielen, dat ze zou kunnen pikken. Ze kwaakt luidkeels. Peddelt verwoed. Roeit woest. Hé?! Hebben die irritante aanbidders haar geduld getergd? Moet mijn labrador het ontgelden?
De rollen worden gewisseld. De richting ook. De Heren Eend vormen nu een voorhoede. Iets valt me op. Zijn ze niet een beetje klein? Nogal rank? Helemaal zwart? Mijn frank valt. Het zijn halfvolwassen kuikens. Hun moeder voert de gewonde-eend-act op: misleidt de ‘jager’ en leidt hem weg van degenen die écht niet kunnen vliegen. Loopt een beetje fout, niet? Ik roep. Eenmaal. Twee maal. Doby keert zich om, en holt naar me toe.
Moeder Eend ook. Een nieuwe prooi- jager achtervolging ontvouwt zich. Ik geloof mijn ogen niet. Wat bezielt die eend toch? Is ze onervaren? Een beetje overijverig?
Dan draaien de rollen weer om. Dit keer blijft Doby rennen. De kuikens raken ingehaald. Nog vijf meter. Nog drie. Nog twee. Moeder Eend panikeert, roeit met gestrekte vleugels, alsof ze niet kan beslissen of ze zal opvliegen of niet. Mijn stem klinkt boos nu. Doby wendt zich wijselijk om. Moeder Eend… wijselijk niet.
Weer een mooi verhaal rijker.

 
 
 

 

woensdag 26 maart 2014

Drilsergeant.


“Wat het nut is van Zit-Voet en Zit-Voor?”, herhaalt trainer Marc mijn vraag, zijn ogen knipperend van verbazing. “Vanuit Zit-Voet stuur je later naar Plaats, en Zit-Voor gebruik je bij Kom”.
Maar waarom zou ik Doby naar zijn ‘Plaats’ willen sturen? Binnenshuis zit of ligt hij op een plek naar eigen keuze. Halverwege de trap, op onze voeten, of tegen een deur. Als hij in de weg ligt, klauteren we toch over hem heen? Beetje lastig dat hij in de schemer nauwelijks zichtbaar is, maar verder uiterst bevorderlijk voor de lenigheid. Desnoods verzoeken we hem beleefd om ruimte. Of duwen hem iets minder wellevend uit de weg. En zolang mijn hond komt wanneer geroepen, maakt het me geen barst uit of hij daarbij met zijn snoetje naar me toe zit, een achterwaartse salto maakt of op zijn hoofd gaat staan. 
Net op tijd slik ik dat maar allemaal in, en berust in mijn lot.

Hondenscholen. Tenenkrullend op exáct de voorgeschreven manier oefeningen uitvoeren. Nagelbijtend lang wachten op je beurt. Zuchtend al lang geleerde bevelen herhalen en nutteloze erin stampen. Prima als je wedstrijdambities hebt.
Maar ik, hoogst tevreden met een hond die niet trekt, of die nu aan mijn been vastplakt of de horlepiep danst, voel me hier drilsergeant én rekruut tegelijk. GEEFT-ACHT, HOOFD-RECHTS, RECHTSOM-KEERT, VOORWAARTS-MARS Hoe vaak nog, soldaat Labmadam?! Vertrekken met het linkerbeen!, PELOTON-HALT, PRESENTEER-GEWEER, ZET AF-GEWEER, TER PLAATSE-RUST
Met Caedlih ging ik naar puppyles in school a, toog naar doggydancing in school b, probeerde dogdance in school c. Nergens hield ik het langer dan twee lessen vol.
Maar in een vlaag van verstandsverbijstering leek zo’n wekelijkse verzameling ‘oefenobjecten’ me ideaal om Doby’s uitvalprobleem aan te pakken.

Op voorhand lichtte ik trainer Marc in. Vertelde over mijn viervoeters problemen, compleet met voorgeschiedenis en behandelingsplan. Sprak over mijn huivering voor al dat heilzame doch tegelijkertijd zo enge slalommen en kruisen met soortgenoten. Vermelde terloops mijn tevredenheid over Doby’s gehoorzaamheid – een mededeling waar ik niet veel van verwachtte.
Marc blijkt één van die zeldzame mensen, die over de gave beschikken om paniekerige persoontjes gerust te stellen. Aan de rand van het veld mag ik mijn labrador, met onze welbekende afleidingsroutine ‘Zit en kijk naar mij’, tot ontspanning brengen, en op ons eigen tempo geleidelijk naar volwaardige lesdeelname opbouwen.
Tijdens een algemene pauze - waarin mijn speelmeneertje nog steeds niet tot een spel te verleiden is - komt Marc naar ons toe. Aan de driloefeningen valt, zoals verwacht, niet te ontsnappen. Geen voordelen zonder nadelen. Helaas. Dus luister ik braaf. Houd een koekje, vergelijkbaar met de ezel en de wortel-aan-een-hengel-techniek, voor de hondenneus. Leid deze naar Zit-Voet, Zit-Voor, Volg, Dicht, Kijk. Leer Doby eindelijk op bevel te liggen – daarmee een schaamrood veroorzakend, zwaar gebrek in mijn opvoeding aan het licht brengend. Zie een steeds bredere lach op de zwart fluwelen snoet. Merk, vreemd genoeg, dat al dat gedril een aangename afwisseling in de afleidingsroutine brengt. Zie, tot mijn grote verbazing, hoe mijn labrador daarna, in de tweede pauze, wel wil spelen. Krijg een bruikbare tip – een primeur in mijn schoolgeschiedenis -  om steeds twee soorten lekkers bij te hebben: sterke en extra sterke, die laatste te herkennen aan de walgelijk indringende geur. Bij het moeilijkere Volg –  rennende border collies op twee aanpalende velden, een schattig herderpupje op het waakhondenterrein, spelende medeleerlingen een twintigtal meter van ons vandaan – demonstreert Marc de magie daarvan.
Aan het eind van de les gooit Doby zich op zijn rug, slaat met zijn voorpootjes naar de leiband en zet er speels zijn tanden in.

Driloefeningen? Op zich kan ik er het nut nog steeds niet van inzien. Maar voor mijn afleidingsrepertoire vormen ze voortaan een onmisbaar onderdeel.

zondag 16 maart 2014

Lichtende voorbeelden.


Moeten wij écht hierdoor? Ik kijk ontzet naar de grindweg voor ons. Geparkeerde wagens aan beide kanten, de openstaande, naar ons toegekeerde kofferbakken bezet door één of twee Duitse schapers. In een angstaanjagende kakofonie blaffen ze uit alle macht, beuken tegen de ratelende, godzijdank, dikke stalen staven, graven als bezetenen over het metaal. “JE GAAT ER DWARS DOOR!” buldert Rode jas nogmaals.
Vorige week, tijdens mijn verkenningsmanoevre in deze hondenschool, stippelde ik een alternatieve route naar ‘ons’ veld uit. Over een ex-voetbalveld vlak naast de oprit, met klimmuur en schuiltentjes gedegradeerd tot oefenzone voor waakhonden. Toen niet in gebruik.
Welgeteld één voet zette ik er vanmorgen op. Eén voet. “VAN DAT VELD!” donderde het toen. Geen idee wie die Rode Jas is. Of waarom hij brult. Het veld is verlaten. Ook bij een tweede en een derde inspectieblik. Nou word ik in dat soort situaties altijd een tikje opstandig. Rebels, zeg maar. Dus zet ik er een tweede voet op. “JE GAAT NIET OP DAT VELD!”, brult Rode Jas weer. Rebellie, bedenk ik me, maakt waarschijnlijk geen goede eerste indruk op je gloednieuwe school. Dus stap ik ernaast, wandel rakelings langs de voorbumpers. “JE GAAT DWARS DOOR DE OPRIT!” blaft Rode Jas daarop. Ik leg onze ervaringen uit. Verklaar Jean Donaldsons methode.  “JE HOND MOET DAARMEE LEREN OMGAAN!”, snauwt Rode Jas. Waarmee? Met bajesklanten in isoleercellen? Op de dodengang? Rechtsomkeert maken wordt steeds verleidelijker.
Maar aan het eind wachten een zachtaardige trainer, vriendelijke medeleerlingen en een gehoorzaamheidsles, waarin probleemloos soortgenoten van dichtbij kruisen centraal staat.

Ik recht mijn schouders. Zet koers naar mijn reserve ontsnappingsroute. Helaas vier kofferbakken verder. Ik leid Doby af. Het werkt. Nipt. Hij aanvaardt nog koekjes. Gaat nog zitten. Maar kijkt niet meer naar mij. Noch naar de koekjes. Is zo gespannen als een veer. Daar is het braakliggende akker al. Gelukkig. Ik spring erop, been zo ver mogelijk van de auto’s vandaan, onze zenuwen bedaren. Rode Jas staart me na, hij kookt maar gaar in eigen sop.
Om mijn gespannen viervoeter toch een positieve associatie te bezorgen, haal ik Trekbal tevoorschijn. Mijn speelmeneertje taalt er niet naar. Te gestresst. Dan maar verder wandelen. Op de oprit loopt Rode Jas op dezelfde hoogte met ons mee, staart me met samengeknepen ogen onafgebroken aan.
Een volgend obstakel doemt op. De ingang  van ‘ons’ veld ligt geprangd tussen het behendigheidsterrein en nog meer kofferbakwakers, ditmaal over de rooie gaande border collies en aanverwanten. Een stralend reclamespotje van goed gesocialiseerde viervoeters.
Maar vorige week zag ik oefeningen waar Doby baat bij zal hebben, dus we blijven op ‘ons’ akker. Wachten op het einde van de puppytraining, en de vrijmaking van de ingang, nu nog versperd door medecursisten.  Rode Jas staat ook op de parking.  Zijn lichaam volledig naar ons toegewend, zijn gelaat vertrokken, zijn lichaam gespannen. Wat mij betreft, ontploft ‘ie.
De puppyles stroomt leeg. De ingang helaas niet. Slechts twee baas-hond koppels stappen het veld op. De rest blijft. Op hun beurt wachtende behendigheiders, snap ik. Gemengd met napratende puppylessers. Ik haal diep adem. Waag de oversteek. Het autokoor verheft zich in volle hevigheid. Doby verstart. Een uitval is voorspelbaar. Ik moet terugkeren. Opnieuw en opnieuw. De les is inmiddels begonnen. Ga ik niet beter naar huis?
Dan zie ik Marc, de gehoorzaamheidstrainer, één en al rust uitstralend, over de parking naar ons toe waden. Hij beaamt dat de opritsituatie niet ideaal is, verzoekt de andere eigenaars om ruimte, bestudeert de auto’s, en loodst me, met Doby veilig tussen ons in, tussen twee lege kofferbakken naar het veld*. Een lichtend voorbeeld.

Het ander lichtend voorbeeld, voor woeste wakers weliswaar, priemt zijn ogen nog lang in mijn rug. Na afloop wacht hij bij de ingang, en escorteert ons, onafgebroken starend, tót aan de auto. Alsof ik ooit nog voet op zijn terrein zet, na Marc’s uitleg over broodnodige veiligheidsmaatregelen. Rode Jas behoedde me voor een grote fout. Ik moet hem bedanken. Zodra mijn verontwaardiging weggezakt is. Over tien jaar of zo.

 

*Column over de les volgt later.

vrijdag 14 maart 2014

Retrieverdromen.


Ik rijd de parking op. Door het geopende raam waaien geurtjes naar binnen, de achterbank komt snuivend tot leven. “Ja, Doby”, zeg ik, “We zijn in d’hondenschool. Met alléén retrievers. Wèt je nog, die aang’name, geduldige mens in ’t bos?  Met die lieve goldens da’j mocht begroet’n? Die zo rustig woaren? J’is hier de trainer. En ge mag d’and’re hondjes begroet’n. Goed, hé?”
Met opzet tien minuten na de lesaanvang gearriveerd, om de drukte van komende en gaande honden te vermijden, niet van plan om vandaag deel te nemen, en gerustgesteld vanwege ons beider racisme, stap ik ontspannen uit de auto.

Eenmaal op het terrein, verloop alles nog beter dan gehoopt. Beurtelings werpt Doby mij Koekjes?-blikken toe en de ijverige leerlingen geïnteresseerde. Trekken, altijd een teken van overenthousiasme óf wantrouwen, doet hij nauwelijks. Zo goed gaat het, dat ik plaats kan nemen op een bankje. Rustgevend is het hier. Bomen naast ons, velden op de achtergrond, in totaal slechts een tiental honden en evenveel mensen.

In de les zitten de leerlingen, één labrador en zes golden retrievers, ondertussen netjes aan de voeten van hun baas. Allen dragen jachtlijntjes, zie ik, dunne koordjes met een wurglus aan het uiteinde. Niet mijn favoriete keuze.
“Volg!” klinkt in koor. Alle baas-hond koppels komen in beweging, keurig in een cirkel achter elkaar aan, hun passen verend, de pluimstaarten wuivend. Eén leerling kijkt levendig alle kanten op. Vrouwtje geeft rukjes aan zijn leiband. Te oordelen aan de verwrongen trek om haar mond, heeft ze het daar moeilijk mee. Mijn tere zieltje ook.

Snel daarna loopt de les ten einde, het teken om afstand te nemen. Een ordelijk rijtje baas-hond koppels stroomt door het hek. Daarbuiten vervliegt -Poef!- alle discipline. Tussen de keuvelende mensenbenen storten de viervoeters zich op elkaar, hun leibanden op volle lengte. Ze happen naar plukken vacht, boksen met hun voorpoten, steigeren in een speels gevecht. Gezellig. Precies wat ik mijn hond toewens. De viervoeters mogen bovendien in de cafetaria, vreemd genoeg niet vanzelfsprekend in een hondenclub.
Maar waar is de verwachte begroetingsceremonie?

Op het oefenveld begint de trainer ondertussen aan de puppyles. Met “Apport!”, “Blijf!” en “Kom!” op de achtergrond, strooi ik koekjes in het rond. Schuif langzaamaan steeds dichterbij, zodat Doby kan wennen aan zijn toekomstige medeleerlingen. Hij blijft mooi ontspannen, let goed op mij, en trekt een paar keer enthousiast richting jolige bende. Het groepje gaat volledig in elkaar op, wij raken in onze eigen bubbel.
Uiteindelijk belanden we tot op een paar meter, mijn labrador met de rug naar hen toe zittend, kijkend naar mij. Een blonde reu stormt naar hem. Doby schrikt. Valt uit. Blaft. Drie maal. Beseft dan dat de grote blonde alweer aan de voeten van zijn baas zit, en komt uit zichzelf terug naast mij zitten. Hij bibbert over zijn hele lijf. Blikt schichtig heen en weer, piepend naar mij, grommend naar de strak starende blonde reu. Hij heeft meer ruimte nodig, besef ik. Maar voor ik achteruit kan stappen, buigt een man zich voorover. Brult “HEILA!” in mijn labradors oren. Sympathieke man.

Na een aantal ontspannende trekspelletjes, zijg ik noodgedwongen neer op een bankje, vijf meter verwijderd van blonde reu en diens baas. Genietend ligt de reu, de ogen half gesloten, in het zonnetje. Zijn baas, met hangende schouders en gebogen hoofd, zit naast hem. Een voor hen staande blondine houdt een luide monoloog, af en toe onderbroken door mompelende antwoorden. Flarden waaien mijn richting uit. “Gíé bepaalt z’n opvoeding”.  “’t’is nú da j’t moe doen.” “Ge meugt dat azó niet doen, hé.” De reu strekt zijn hoofd naar een grassprietje en kruipt vooruit. Blondine’s voet schopt de hondenneus. Met vermanend vingertje naar de man: “ie mag nie vooruit kruip’n as’t ie ligt, wè!”
Wij komen hier niet meer terug.
 
’s Avonds echter, ben ik er weer. Op het oefenveld. In de les. Tussen de anderen. We lopen rondjes, oefenen ‘dicht’, trainen ‘zit voet’. Aan mijn leiband een blonde, vier maand oude pup.
Ik herleef de lessen die we, zestien jaar geleden, op datzelfde terrein, bij de vorige retrieverclub volgden. Voor de tweede maal sinds Caedlih’s dood voel ik opnieuw die diepe, sterke band, die we vanaf het prille begin hadden. Caedlih is terug. Even.

donderdag 13 maart 2014

Zonderlinge mensen.


Nietsvermoedend lopen Doby en ik op een kronkelpaadje in het bos. Een klaterend, kronkelend beekje vrolijkt de ene kant op, een partij kerstsparren de andere. Zacht daalt fijne regen neer, frist alle kleuren op, en lakt een glinsterlaagje. De donkergroene sparren, het verdorde riet, de herfstbladeren op de grond, de zachtgroene velden achter het beekje. Druppelvormige versieringen bungelen aan alle takken, vangen het licht en breken het in kleurtjes. In Doby’s zwarte vacht schitteren honderden diamantjes.
 
Tevreden loopt mijn labrador een kort stukje voor me uit, en speelt jolig met wat takken. Zijn energieniveau, na de fietstocht van deze ochtend en de apporteersessie van gisteren, een behaaglijk knappend vuurtje in plaats van een alles verzengende vuurzee. Plots staat hij stil, en kijkt geconcentreerd voor zich uit. Ik volg zijn blik. Daar, tien meter verder op het pad, staat een golden retriever. Een grote reu. Ook hij staat stil. Bedachtzaam nemen beide elkaar op.  “Doby!”, roep ik. Die reageert niet. Een soortgenoot zo dichtbij, vertegenwoordigt een sterke verleiding. Zéker als het een golden retriever betreft.
Doby is namelijk racistisch. Hij ziet alle rassen graag, groot of klein, zwart of wit. Ook alle kruisingen, uit herleidbare oorsprong of onbestemde mix. Maar golden retrievers? Die adoreert hij. Met dank aan beste vriendjes Booz en Blitz, lieve vriendin Wiebe en goedmoedige kameraad Arkan.
“Dóbý!”, roep ik nogmaals. Doby blijft staan, kijkt niet eens naar me om, overweegt zijn opties. Huppelt dan vrolijk naar de vreemdeling. “DOBY!”, roep ik hard. Geen reactie. Zuchtend stap ik erheen, zonder al teveel haast. Het bochtige weggetje dat mijn zicht verspert, verandert daar niets aan.
Want ik ben racistisch. Houd van alles met vier poten, maar van bepaalde net iets meer. Goldens staan maar een half trapje onder die, boven alles uittorende, superfantastische labradors. Ze zijn kalm en lief. Verdraagzaam en zachtaardig. Speels en blijmoedig. Vanbinnen net zo gouden als van buiten.
Wanneer de viervoeters terug in mijn vizier verschijnen, staan ze neus aan neus, snuffelen kalm, verroeren geen vin. “Pas op! Hij is asociaal!”, waarschuwt Retrieverman. “GOED ZO!”, juich ik.
Goed zo?! Lieve help. Doby belonen voor élk beleefd gebaar, is een onstopbaar automatisme geworden. Voor ik er erg in heb, floepen de loftuitingen eruit. Middenin mijn zin bijvoorbeeld. Halverwege die van een ander. Vlak na de droeve aankondiging van vriendin’s scheiding. Nu dus op een moment als dit.
In een fractie van een seconde raast een veelheid aan gedachten door mijn hoofd. Wat moet Retrieverman wel niet denken?! Dat ik van mijn hond af wil?  En waarom prijs ik nou mijn viervoeter terwijl hij een bevel negeerde?! Pas daarna: HELP!
Die fractie van een seconde schiet ook iets door het labradorhoofd. Vliegensvlug draait hij zich om, en rent op me af. “Goed zo!” betekent koekje…
Voor één keer dank ik de befaamde labradormaag, geef de ondeugd zijn koekje, prijs uitbundig, en knuffel alsof hij zonet aan de dood ontsnapt is. Met hoog opgetrokken wenkbrauwen kijkt Retrieverman me vorsend aan, en maakt zich snel uit de voeten.

Mensen middenin een opvoedingsproces? Ze doen de gekste dingen.
Het kán overigens erger. Stel u voor: in een smalle steeg tussen rijtjeshuizen, wacht u aan de schoolpoort van uw kind. Een paar huizen verder opent een voordeur, en een hoofd verschijnt in de kier. Het spiedt naar de grote, groene poort daar pal tegenover, werpt een snelle blik links en rechts, trekt zich terug, sluit de deur. 
Een halve minuut later stormt een volwassen vrouw uit diezelfde deur, gilt luid “Om ter eerst!”, en sprint u voorbij, samen met een grote, zwarte labrador. Schaterend remt de halvegare vervolgens af, en schakelt over naar een serie driloefeningen, met jubelende kreten als “Flinke zit voet!”, “Flinke zit voor!”*. Openvallende monden gegarandeerd.
Ook bij de woeste waker, zijn verbaasde kop en een voorpoot onder de poort uit piepend.
Maar Doby? Die viel niet uit. Ondanks dat we zo dicht langs die enge hond moesten. Mijn zonderlinge reputatie neem ik er dan graag bij. 


 

*Dat laatste een nieuwigheidje, opgepikt tijdens het weekend ná het retrievervoorval. Later meer over dat veelbewogen weekend… waarin we bij twee hondenscholen langsgingen.